Frans Hals

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 (1 Stem)

Frans Hals (Antwerpen, ca. 1583 - Haarlem, augustus 1666) geldt als één van de belangrijkste Oude Hollandse Meesters.

Hij werkte zijn hele leven in Haarlem en hij werd vooral bekend door zijn levendige en kleurrijke schuttersstukken en afbeeldingen van tijdgenoten.

Hals werd in 1582 of 1583 geboren als zoon van de lakenkoopman Franchois Fransz. Hals (ca. 1542-1610) en zijn tweede vrouw Adriaentje van Geertenryck (Antwerpen ca. 1552 - Haarlem na november 1616) in Antwerpen maar de familie kwam uit Mechelen. Zijn vader was katholiek en lid van de schutterij. Zoals zoveel Zuid-Nederlanders in die tijd verhuisde het gezin rond 1586 naar Haarlem. Dirck, zijn jongste broer werd gedoopt in een protestantse kerk. Frans Hals was tot 1603 een leerling van Carel van Mander, in 1610 werd hij lid van het Sint-Lucasgilde en vanaf dat moment mocht hij ook leerling-schilders in dienst nemen. Zijn vroegst gedateerde werk is uit 1611 maar hij moet al veel eerder volleerd zijn geweest. In 1616 reisde hij naar Antwerpen om het werk van Rubens en Antoon van Dyck te bestuderen. De reguliere diensttijd in de plaatselijke schutterij was twee jaar maar Frans Hals diende maar liefst van 1612 tot 1624. In 1616 schilderde hij zijn eerste schutterstuk en in 1639 zijn laatste. Deze laatste schuttersstukken vormen door hun veelzijdige gelaatsuitdrukkingen, de glimmende uniformen en de rijke kleurnuances tot het hoogtepunt in Hals' oeuvre. Frans Hals maakte ook deel uit van de Haarlemse rederijkerskamer.
Hals is tweemaal getrouwd: rond 1610 met Anneke Harmensdochter en in februari 1617 met Lysbeth Reyniers. Het laatste huwelijk werd voltrokken in Spaarndam en een paar dagen later werd zijn dochter Sara geboren. Hals heeft vijftien kinderen laten dopen en hij heeft vijf of zes zonen tot schilder opgeleid. Rond 1615 verkeerde Hals in dusdanige financiële moeilijkheden dat de voedster hem aanklaagde. De armoede zou hem zijn hele leven achtervolgen. Tussen 1620 en 1630 schilderde hij portretten van de elite. Hij schildert ze in al hun rijkdom en zelfvoldaanheid. Hij had mensenkennis; dat zie je aan zijn werken, vooral de latere. Tevens leidde hij diverse leerlingen op, zoals Philips Wouwerman. Eén van zijn schuttersstukken, De Magere Compagnie, is afgemaakt door Pieter Codde. Frans Hals staat bekend om zijn uitbundige stijl maar in zijn laatste jaren werd dat minder. De 17de-eeuwse schilder Matthias Scheits noemde hem "lustich van leven" en Houbraken beweert omstreeks 1720, enigszins malicieus, dat hij dagelijks gedronken zou hebben. Hiervoor ontbreekt echter het bewijs en eigenlijk zou men ook kunnen beweren dat het in tegenspraak is met de algemene waardering die hij onder zijn opdrachtgevers oogstte. En die opdrachtgevers waren zeker niet de minste: de gegoede burgerij, gilde- en schuttersverenigingen en zelfs de hoogste patriciërs van de stad Haarlem. Zijn beroemdste model was René Descartes. Op ongeveer 84-jarige leeftijd, na een carrière van bijna een halve eeuw overleed de kunstschilder in 1666. In de oude St. Bavo-kerk aan de Grote Markt in Haarlem ligt hij onder het koor begraven. In de 18de eeuw viel de artiest uit de gunst maar in de 19de eeuw werd hij herontdekt door de impressionisten, die vooral door zijn zelfstandige, zwierige en losse penseelvoering en intieme, raadselachtige dramatiek werden getroffen. In 1968 werd hij in de serie 'erflaters' afgebeeld op het Nederlandse bankbiljet van 10 gulden.
Het is onduidelijk hoeveel van het werk van Frans Hals is overgebleven, maar volgens de gezaghebbende oeuvrecatalogus van Seymour Slive uit 1970-1974 kunnen nog 222 schilderijen aan Hals worden toegeschreven. Een andere Hals-kenner, Claus Grimm, houdt het in ‘Frans Hals. Das Gesamtwerk’ (1989) op 145 stukken.
De kunstenaar schilderde:
-individuele portretten en pendanten van echtparen (schilderijen die naast elkaar horen te hangen). Zo vereeuwigde hij rond 1652 de ouders van Jan van de Capelle.
-Groepsportretten waaronder vijf schuttersstukken, nu in Haarlem en drie groepsportretten van regenten en regentessen (ook in Haarlem). Hij produceerde deze portretten in opdracht van mensen uit de middelste en bovenste lagen van de samenleving: schrijvers, burgemeesters, geestelijken, handelaren, kooplui, en bestuurders. De schutters, althans de officieren en de onderofficieren die hun groepsportretten bestelden, kwamen ook gewoonlijk uit de wat ‘hogere’ dan wel meer bemiddelde kringen.
-Genrewerken: visserskinderen aan het strand, een groenteverkoopster, de Haarlemse ‘dorpsgek’ Malle Babbe, en meer van zulke stukken, die in zekere zin ook wel als portretten zijn te beschouwen, maar vooral toch bedoeld lijken als ‘impressies uit het dagelijks leven’.
Het is even onbekend als onwaarschijnlijk dat Frans Hals landschappen, stillevens of verhalende stukken heeft gemaakt. Vele 17e-eeuwse kunstenaars in Holland verkozen specialisatie, en dat was ook bij Hals het geval.
Al in de 17e eeuw werden mensen getroffen door de levendigheid van Hals’ portretten. Zo noteerde de Haarlemmer Theodorus Schrevelius, één van de mannen die hij portretteerde, dat er in Hals’ werken ‘zo’n kracht en leven’ is dat de schilder ‘de natuur schijnt uit te dagen met zijn penseel’. En twee eeuwen later schreef Vincent van Gogh aan zijn broer Theo: ‘Wat is het een genot zo’n Frans Hals te zien, wat is ’t heel iets anders dan de schilderijen – er zijn er zóó veel – waar zorgvuldig alles op dezelfde wijze is gladgestreken.’ Met die observatie slaat Van Gogh de spijker op z’n kop: Hals koos ervoor om een schilderij niet glad af te werken, zoals ongeveer al zijn tijdgenoten dat nog deden, maar probeerde het leven er in te houden. Aangezien leven te herkennen is aan beweging, zorgde hij ervoor dat de kijker de indruk krijgt dat het portret in beweging is. Wie kijkt naar iemand in beweging, ziet die persoon niet helemaal scherp: je krijgt niet helemaal vat op wie of wat zich beweegt, je ziet vlekken, lijnen, stippen, grote kleurvlakken, nauwelijks details. En zo schilderde Frans Hals zijn portretten, vooral later, wanneer hij helemaal op dreef is. Hiermee bereikte Hals een oplossing voor een aloud probleem: hoe maak je een levensechte voorstelling op een plat vlak? Weliswaar is het zogenaamde trompe-l'oeil oftewel het zo extreem mogelijk gladschilderen ook een oplossing (zoals (Gerrit Dou en de Leidse school deden) maar de keuze van Hals is zeer bijzonder en hij was met deze aanpak zijn tijd ver vooruit. Pas in de 19e eeuw kreeg hij echt volgelingen, met name onder de zogenaamde impressionisten.

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Reacties (0)

500 tekens over

Cancel or

Of reageer via facebook: